De bovenbouw bestaat uit de zevende tot en met de twaalfde klas.
Het motto van Rudolf Steiner was:
“De vraag is niet wat de mens moet kunnen en weten teneinde zich in de bestaande sociale orde te kunnen invoegen, maar wel wat er in aanleg in de mens aanwezig is en in hem ontwikkeld kan worden. Pas dan kan de opgroeiende generatie de maatschappij steeds opnieuw met nieuwe krachten verrijken.”
De uitgangspunten van de Vrije School worden verwoord in het hierboven aangehaalde citaat. Anders gezegd: ‘niet de eisen vanuit de maatschappij zijn het meest belangrijk voor de inrichting van het onderwijs, maar datgene wat het kind of de jongere zelf in zich heeft. Wat heeft het kind aan kwaliteiten en talenten in zich en hoe kunnen deze ontwikkeld worden? Wanneer hier aan tegemoet gekomen wordt, heeft de jongere de maatschappij werkelijk iets te bieden.’
In het onderwijs wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke ontwikkeling van de menselijke vermogens. Dit houdt natuurlijk het verwerven van kennis in, maar ook de ontwikkeling van het gevoel voor het sociale en het kunstzinnige aspect van het leven. Tevens worden ambachtelijke en technische vaardigheden ontwikkeld.
Het onderwijs gaat ervan uit dat ieder mens in het leven een eigen ‘opdracht’ heeft. De jongere mens probeert die opdracht waar te maken in het onderwijs dat daarbij moet ondersteunen. Dat vereist vakkennis van de docenten, en inzicht in de verschillende levensfasen van de jongere mens. De docenten moeten beschikken over het vermogen om waar te nemen wat elk kind aan mogelijkheden in zich draagt.
Enkele jaren geleden heeft de overheid de vrijheid van de Vrije School, namelijk vrij van staatsbemoeienis, voor een deel aan banden gelegd. De Vrije Scholen werden verplicht alle onderwijsniveaus aan te bieden. Waar zij eerst de leerlingen opleiden voor het IVO-examen (Individueel Voortgezet Onderwijs), zijn zij nu verplicht VMBO tl, HAVO en VWO aan te bieden.
Hierdoor is de vrijheid beknot: het is immers moeilijk om alle extra’s die de Vrije School biedt, te verwerkelijken in een behoorlijk dichtgetimmerd programma van eisen.
Wat overeind is gebleven is dat iedere leerkracht, binnen het kader van de algemene richtlijnen van het leerplan, vrij is in de wijze waarop hij het onderwijs voor zijn leerlingen inricht. Dit betekent dat er niet slechts methodegebonden onderwijs wordt gegeven. Leerkrachten ontwikkelen (deels) hun eigen lesstof.
De middenbouw beslaat de zevende en achtste klas en vormt een brugperiode van twee jaar. Leerlingen met verschillende vermogens zitten bij elkaar in één klas. Er wordt in beperkte mate in de klas gedifferentieerd. De differentiatie vindt plaats door middel van variatie in de opdrachten en de hoeveelheid te verwerken stof. Hierdoor is het mogelijk elke leerling op de juiste manier aan te spreken.
De leerlingen hebben relatief weinig te maken met wisseling van leerkrachten gedurende de dag. De klassenleerkracht geeft veel les aan zijn of haar klas.
Eind achtste klas worden de leerlingen ingedeeld in leerroutes: VMBOtl/HAVO of HAVO/VWO.
Eind negende klas wordt een indeling gemaakt in VMBOtl (met eventueel hierna HAVO) en HAVO of VWO. Door de gecombineerde HAVO/VWO-groep kan een leerling ook nog in klas tien laten zien, dat hij VWO aankan.
Deze late indeling, de goede doorstroming van VMBOtl naar HAVO en de flexibiliteit bij HAVO/VWO zijn kenmerken van het Vrije Schoolonderwijs.
Dit onderwijs begint dagelijks klassikaal en betreft de eerste twee lesuren. Gedurende een periode van een aantal weken wordt één vak behandeld.
Dit onderwijs wordt in de middenbouw gedeeltelijk door de klassenleerkracht gegeven en in de bovenbouw geheel door vakleerkrachten. Door een periode van enkele weken met één vak bezig te zijn, gaat de leerstof ‘door de nacht heen’. Het onderwerp wint aan diepgang en de leerling kan zich er grondig mee verbinden.
De behandelde stof sluit nauw aan bij de leeftijd en de ontwikkelingsfase van de leerlingen. Vakken die hierbij aan bod komen zijn: biologie, aardrijkskunde, geschiedenis, natuurkunde, scheikunde, Nederlands, wiskunde, kunstgeschiedenis en economie.
Behalve het periodeonderwijs, krijgen de leerlingen les in de ‘gewone’ vakken van het voortgezet onderwijs (Nederlands, Engels, Duits, Frans, wiskunde, economie, aardrijkskunde, geschiedenis enz.). Daarnaast worden er op een Vrije School veel kunstzinnige vakken en handvaardigheidvakken gegeven, zodat alle vermogens van de leerling worden aangesproken en ontwikkeld.
De leerlingen maken kennis met verschillende kunstzinnige vakken, zoals houtbewerken, textiel, koperslaan en boetseren. Daarnaast is er koorzang en wordt er in de periodelessen ook aan toneel gedaan.


