De hoofdvakken zoals Nederlandse taal, rekenen, aardrijkskunde, biologie, geschiedenis en natuurkunde worden ‘s ochtends van 8.25 tot 10.30 uur gegeven en wel in periodes van een aantal aaneengesloten weken. Na het periodeonderwijs zijn er lessen in handvaardigheid, euritmie, vreemde talen, gymnastiek, muziek, tekenen, schilderen en godsdienst. De klassenleerkracht wordt bijgestaan door enkele vakleerkrachten voor de vreemde talen Duits en Frans, voor handwerken en handarbeid en voor euritmie.

De vertelstof vormt een belangrijke leidraad voor het leerplan en is afgestemd op de ontwikkelingsfasen van het kind. In de 1e klas worden sprookjes verteld. In de 2e klas fabels en legenden. In de 3e klas staat het Oude Testament centraal en in de 4e de Germaanse mythologie. De Griekse mythologie volgt in de 5e klas en de Romeinse geschiedenis in de 6e klas.
Aan de natuurlijke bewegingsdrang van het kind wordt op school op verschillende manieren tegemoet gekomen: tijdens het onderwijs, maar vooral in de vakken gymnastiek en euritmie. In de gymnastieklessen wordt de nadruk gelegd op het lichamelijke: goede houding, behendigheid, ontwikkeling van de spieren, ook spel enz. Natuurlijk speelt hierbij de totale mens een rol doordat ook sociale vaardigheden, spel en sportiviteit worden ontwikkeld. Bij de euritmie echter gaat het met name om de ontwikkeling van de zielenkwaliteiten. Er is een verwantschap tussen euritmie en de danskunst, maar bij de euritmie worden niet zozeer subjectieve gevoelens uitgedrukt maar gaat het erom met gebaren zichtbaar te maken van wat er objectief klinkt in gesproken woord of in muziek. In de woordeuritmie maakt men bijvoorbeeld de klinkers en medeklinkers met de armen of benen zichtbaar en natuurlijk ook de betekenis en de eventuele gevoelsuitdrukking van woorden, zinnen en teksten. In de tooneuritmie drukt men toonsoort, intervallen, maat, melodie en ritme van muziekstukken uit in choreografie, bewegingen en gebaren. De euritmie hoort daarom bij de muzikale en reciterende kunsten. Euritmie laat de mens op een levendige manier omgaan met woord en muziek en heeft zo een versterkende werking op het zielenleven, op het denken, voelen en willen. Op deze manier is de euritmie een bijzondere ondersteuning voor alle andere vakken en voor de gehele ontwikkeling van het kind.
In de tegenwoordige tijd is informatie- en communicatietechnologie iets waar je als mens niet omheen kunt. Na langdurig overleg, waarin alle aspecten van het gebruik van computers in het onderwijs zijn bekeken, zijn wij tot de conclusie gekomen dat deze technische middelen aan de pedagogische en didactische processen geen extra bijdrage leveren aan onze vorm van onderwijs. Voor het vergaren van eventuele informatie vinden wij dat een computer en het internet voor een basisschoolleerling niet zoveel meer biedt dan boeken en ander documentatiemateriaal. Het zal voor kinderen van belang zijn met moderne informatietechniek en communicatiemedia te leren omgaan, zo zij dat al niet kunnen. Wij kiezen er als vrijeschool echter voor deze apparatuur pas in de bovenbouw (d.i. middelbare school) door de leerlingen op de school te laten gebruiken. De leerlingen in die leeftijdsfase beschikken over het analytische denkvermogen dat voor het inzichtelijk gebruik van computers vereist is. In de onderbouw (klas 1 t/m 6) wordt de leerstof zoveel mogelijk d.m.v. het gesproken woord en door middel van kunstzinnige activiteiten aangeboden. Het blijkt dat er ouders zijn die voor het vrijeschoolonderwijs kiezen juist omdat er geen gebruik wordt gemaakt van computers in de klas.

Er wordt op school niet systematisch huiswerk gegeven. In principe wordt de lesstof in de klas behandeld. Toch kan het voorkomen dat leerlingen de gelegenheid krijgen hun werk thuis af te maken, wanneer dit op school niet gelukt is.
Ook kan het voorkomen dat de klassenleerkracht met de ouders afspreekt dat de kinderen als extra ondersteuning huiswerkopgaven krijgen.
Aan de kinderen vanaf de derde klas wordt gevraagd om thuis bepaalde aan hun leeftijd aangepaste opgaven uit te werken als voorbereiding op spreekbeurten of werkstukjes die ze op school maken.
Op onze school wordt door een aantal leraren in de klassen 1 t/m 6 religieuze oriëntatie (drie kwartier lestijd per klas) verzorgd. Deze lessen religieuze oriëntatie hebben een algemeen christelijk karakter, maar zijn niet gebonden aan een kerkgenootschap.
De godsdienstlessen bestaan voornamelijk uit het vertellen van verhalen, die net als de vertelstof, toegespitst zijn op de leeftijdsfase. In de hogere klassen ontstaat vaak spontaan of enigszins geleid een gesprek naar aanleiding van zo’n verhaal of actuele gebeurtenissen. Ook kan er aandacht worden besteed aan andere dan de christelijke godsdiensten. De keuze voor de stof en de verhelen ligt bij de betreffende leraar, die de les religieuze oriëntatie verzorgd.
Ter verdieping van het godsdienstonderwijs wordt op zondagen om de twee weken de Handeling gehouden in de aula. Aanvang 10.30 uur. Actieve deelname is voorbehouden aan leerlingen van klas 1 en hoger. De jongere kinderen kunnen de handeling meemaken, zittend bij hun ouders. De kinderen van de eerste klas mogen vanaf de eerste adventszondag zelf meedoen.
Ook is er een mogelijkheid voor volwassenen, d.w.z. mensen die verbonden zijn met de school, om op enkele zondagen in het jaar deel te nemen aan de Offerhandeling. Even als de teksten voor de Handeling is ook de tekst van de Offerhandeling door Rudolf Steiner aan de vrijescholen gegeven.
De leraren die de lessen religieuze oriëntatie verzorgen nemen minstens twee maal per jaar deel aan de landelijke bijeenkomsten van de vakgroep religieuze oriëntatie. Zij dragen verantwoordelijkheid voor de Handeling. De teksten van de handelingen zijn bezit van de vrijeschoolbeweging en worden bij beëindiging van het dienstverband aan een vrije school teruggegeven. Nieuwe leraren die het vak religieuze oriëntatie zullen geven, worden door de groep van leraren religieuze oriëntatie gezocht en gevraagd. Het staat natuurlijk iedere collega vrij om zijn belangstelling voor dit vak te uiten en eventueel de handelingen bij te wonen.
De leerlingen van klas 1 t/m 6 ontvangen aan het eind van het schooljaar een getuigschrift.
Hierin staat een algemene beschrijving van het kind in de klas en een overzicht van de vorderingen. Dit deel is uitsluitend bedoeld voor de ouders. Voor ieder kind afzonderlijk wordt door de klassenleerkracht een spreuk gemaakt.